Een paar korte woordjes
Er is een wereld vol mensen en
dieren die over reukvermogen beschikken. Een krachtig zintuig dat sterk
gekoppeld is aan herinneringen en veiligheid. Een enkeling die dit vermogen
niet heeft, dient die ruikende wereld eerst te beschouwen om van het bestaan te
kunnen weten. Dat is een opgave want, hoewel de invloed van dit zintuig groot
is, men praat hierover nauwelijks. Doof en blind kennen we. En dat er mensen
bestaan bij wie de werking van het reukzintuig ontbreekt, komt nauwelijks in
iemand op. Ik dacht bovendien dat ik de enige was.
M.A.V.O., praktijkexamen
scheikunde, 1989. Twee hoog. Het lokaal zat aan de linkerzijde, vooraan: een
mooi groot lokaal, ruim opgesteld, veel licht, werkbaar. Ik vond het meestal heerlijk om bezig te
zijn, ook met proefjes. Scheikunde was één van mijn favoriete vakken. Ieder had zijn eigen –grote- tafel en deze
was gedekt met een microscoop, een pannetje, petriplaatjes, gasbrander,
U-buisjes. De vragenlijst lag ernaast. We kregen instructie over het examen. De
witte jassen gingen aan en de brillen op. Deze docent streefde altijd
veiligheid na.
Ik had proef na proef gedaan en
kwam bij de opdracht waarbij een vaste stof gefiltreerd moest worden uit een
vloeistof. Vele korreltjes bleven over. Het was wit op de bodem van het pannetje.
Ik keek in de vragenlijst rechts naast mij en las vier korte woordjes: ‘Wat
ruik je nu?’ Wat ruik je nu? Jemig! Dat
was een lastige. Niet, ik ruik niet, niks, nooit en niet gedaan ook. Maar ‘ik
ruik niks’ zou niet goed zijn. Geconfronteerd met onmogelijkheden… Anderen
werkten door. Ik viel stil, mijn wereld binnen, eventjes. En weer door naar de
lijst die ik afwerkte met de wetenschap die ene vraag niet te kunnen
beantwoorden. Dat was raar, onmacht. Ik durfde niet de gok te wagen om te
proeven, ik had geen idee wat het was. Meest voor de hand liggend was zout. Dat
vulde ik in.
Ik had proef na proef gedaan en
kwam bij de opdracht waarbij een vaste stof gefiltreerd moest worden uit een
vloeistof. Vele korreltjes bleven over. Het was wit op de bodem van het pannetje.
Ik keek in de vragenlijst rechts naast mij en las vier korte woordjes: ‘Wat
ruik je nu?’ Wat ruik je nu? Jemig! Dat
was een lastige. Niet, ik ruik niet, niks, nooit en niet gedaan ook. Maar ‘ik
ruik niks’ zou niet goed zijn. Geconfronteerd met onmogelijkheden… Anderen
werkten door. Ik viel stil, mijn wereld binnen, eventjes. En weer door naar de
lijst die ik afwerkte met de wetenschap die ene vraag niet te kunnen
beantwoorden. Dat was raar, onmacht. Ik durfde niet de gok te wagen om te
proeven, ik had geen idee wat het was. Meest voor de hand liggend was zout. Dat
vulde ik in.
Pas veel later wist ik meer over
mensen en niet kunnen ruiken. Over de schatting dat dit aantal hoger ligt dan
mensen die niet kunnen horen. Over de weinige aandacht die wereldwijd uitgaat
naar dit onderwerp. En …zo deed ik dat
evenmin. Ik heb niet één herinnering, een datum of een tijd waarin ik ontdekte
dat ik niet kon ruiken. Wanneer ontdekt
men dat hij twee benen heeft? En daarmee kan lopen? Of dat het reukvermogen ook
wordt gebruikt om herinneringen op te slaan? Ontdekken is iets anders dan iets
beseffen en de waarde daarvan erkennen. Wanneer zie je aan een neus, en hoe ook
kun je het weten, dat deze niet werkt?
Ik ontdek het elke keer opnieuw.
Confrontaties zijn er dagelijks. Gelukkig, in die zin, is het ophalen van
herinneringen niet mijn sterkste kant! Ik slaagde voor het examen en dat was
dat. Ik heb het nooit meer ingezien. Het kon goed zijn en fout. Ik vraag me nog
wel altijd af wat die docent dan zal hebben gedacht?!